Vrijdag 8 januari

De verzekering betaalde ook de taxi naar de luchthaven, dat was wel comfortabel. Tegen elf uur waren we daar en er stond een persoonlijke assistente Nathalie op te wachten. Ze hadden ook een rolstoel voor haar besteld, zodat het voor iedereen duidelijk zou zijn dat het om repatriëring ging, maar dat zou misschien toch wat gênant geweest zijn. Het extra zitje daarentegen, zodat niemand tegen haar arm zou zitten, was geen overbodige luxe. Haar elleboog zat nog steeds in die voorlopige gips, was gezwollen en deed uiteraard nog veel pijn.


Het afscheid van Nathalie


We namen afscheid en daar stond ik plots, alleen in de luchthaven van Krakau, het was een vreemd gevoel. Ik keerde via het treinstation terug naar het hostel om mijn rugzak te halen, en moest dan opnieuw naar het treinstation wandelen voor de trein richting Olomouc. Alles ging goed, tot de trein plots stilstond in Zebrzydowice, een klein Pools dorp vlakbij de Tsjechische grens.

Na een uur vond ik het niet meer normaal, en begon ik honger te krijgen. Na twee uur begon ik de voorraad mignonnettes die in feite voor onze couchsurfinghosts bestemd waren, te verslinden. Na drie uur begon ik foto’s te trekken uit verveling, moest ik alle ramen open zetten omdat daar gestookt werd als in de hel, begon ik me ernstig zorgen te maken, had ik Florian al meermaals opgebeld om te vragen of er nog wel treinen naar Olomouc zouden rijden en of hij anders een hostel kon opzoeken, of hij misschien wist waar ik eigenlijk was.

Ergens tussen al die boeiende activiteiten in ben ik door de trein gewandeld op zoek naar uitleg. Er waren slechts twee passagiers meer: behalve ikzelf een leerkracht Engels die een beetje Pools kon, een kleine troostprijs voor mij omdat ik dan tenminste notie had van wat er gaande was. We moesten blijkbaar wachten op een trein die vanuit de andere richting zou komen. Niemand wist hoe lang dat zou duren.

Er ging nog een uur voorbij. En nog een. Dan begon de machinist druk te discussiëren met de conducteur over het verloop. De trein kon onmogelijk nog tot in Tsjechië rijden, ze zouden ons moeten droppen aan de grens, in Petrovice. Ik stelde het me al voor, dat ik daar opeens in een boerengat uit de trein werd gekickt in de sneeuw, in het midden van de nacht, met mijn rugzak vol chocolaatjes.

Hulplijn Florian werd nogmaals ingeschakeld om op te zoeken waar de bewoonde wereld begon vanuit Petrovice, waar ik mogelijk zou kunnen blijven slapen.

Na vijf uur in de treingevangenis bracht de machinist ons naar zijn hokje om te slapen, in een zijkamertje van het stationsgebouw, waar verder alles potdicht was. We kregen de eer op een van de bedden te ‘relaxen’, zoals hij het noemde, en daar moesten we wachten op een andere trein die wel nog reed. Ik en de leraar Engels werden vriendjes door ons gedeelde lot, en ik paaide beide heren met enkele mignonnettes, wat ze erg wisten te appreciëren.

Tegen middernacht kregen we signaal door een luidspreker dat de trein in aankomst was. Strikt genomen wilde dat zeggen dat het nog twintig minuten zou duren, maar dat wisten we nog niet toen we hoopvol naar buiten gingen om in de ijzige vrieskou te wachten.



Het station van Zebrzydowice, waar het zo leuk was dat ik er wel zes uur ben gebleven

Geen opmerkingen:

Een reactie posten