Tot op het laatste moment had ik op het punt gestaan mijn hele Couchsurfingtrip af te blazen. Ver op voorhand had het een subliem idee geleken; hoe dichterbij hoe meer angstaanjagende proporties het aannam. Het is ietwat ongewoon om in je eentje bij wildvreemde mensen te gaan logeren. Ik had niet zozeer schrik om bij seriemoordenaars of pedofielen terecht te komen, wel voor het gevoel van voortdurende ongemakkelijkheid.
Het spel van de twijfel: ik zou in Olomouc lui kunnen zijn, films bekijken, boeken lezen, joggen, winkelen, koken; doen wat ik wilde wanneer ik het wilde.
Ik besloot echter dat plannen er zijn om uitgevoerd te worden. Dat ik mensen die weken op voorhand hadden bevestigd dat ze me zouden rondleiden niet last minute kon afzeggen. Dat ik wat van Tsjechië wilde zien. Dat de weinige aanwezigen hier in Olomouc of moesten studeren, of zodadelijk zouden vertrekken, of bezoek kregen. Dat ik zo gauw als ik wilde met een smoesje zou kunnen terugkeren.
De trein naar Kutná Horá dus.
Tegen 13u stond Radek me daar met een vriend en zijn vriendin op te wachten, vastbesloten me te overtuigen van de schoonheid van hun middeleeuwse stadje. Ze waren met de auto dus we konden overal gemakkelijk naartoe sjezen, te beginnen bij kostnice Sedlec, het ossuarium in Sedlec, een buitenwijk van Kutná Horá. Dat is een kleine Rooms-katholieke kapel gedecoreerd met de beenderen van veertig- tot zeventigduizend mensen. Overal hingen slierten met schedels en botten, een monstrans aan het altaar, een wapenschild met heupbeenderen en vingerkootjes. Zelfs de kroonluchter bestond uit talloze botjes en knokels. Luguber, maar zeker ook imponerend.
Ik slaagde erin het alarm te laten afgaan, en het ijs was gebroken. Radek en zijn gezelschap waren heel sympathieke en gemoedelijke mensen, geen ongemakkelijke stiltes.
We gingen naar een middeleeuws café met overal houten wapenschilden aan de muren en het plafond. Daarna maakten we een wandeling door het charmante stadje. Ze konden me interessante anekdotes vertellen over vanalles en nog wat, dingen die je ongetwijfeld niet in een reisgidsje vindt.
In de Sint-Barbarakerk (Kutná Horá is een mijnstad) hebben we een kerstconcert bijgewoond. Ik was bijna een ijsklompje toen het gedaan was, duidelijk de foute outfit gekozen. Om te ontdooien gingen we naar een soort herberg, opnieuw volledig in middeleeuwse stijl, met allerlei streekgerechten. Ik had een soort geroosterde graantjes met champignons, een van de weinige veggie-maaltijden. Het was lekker. We hadden enkele boeiende gesprekken en discussies.
Radek bracht me met zijn auto naar het station van Kolín, van waaruit ik rechtstreeks naar mijn volgende bestemming kon gaan: Cerhenice, een smal dorpje in de buurt van Kolín. Jan, mijn host hier, is enkele jaren jonger dan Radek en studeert antropologie. Hij zat me op te wachten in de plaatselijke pub naast het station, een rokerige plaats met veel zatte oude mannen. Het is daar de gewoonte dat ze je een nieuwe pint geven van zodra de vorige meer dan halfleeg is.
Jan kan best veel drinken, zo bleek, als je in acht neemt dat een pint een halve liter is. Zelden kon iemand me zo lang boeien met verhalen. Hij had de meest waanzinnige dingen gedaan: naar Parijs liften met enkel zeven euro op zak, slapen onder de Eiffeltoren, de camino de Santiago (pelgrimstocht naar Santiago de Compostella), liften in Iran, trekken in Marokko, werken in Londen. Zijn laatste avontuur was een tocht in Ladakh, noordoost India, vlakbij de Himalaya. Daar had hij een Frans koppel ontmoet dat de volgende dag op bezoek zou komen. Ik keek er al naar uit.
Jan woont in een groot huis in Cerhenice met zijn ouders en jongere broer, ik voelde me er volledig op mijn gemak.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten